Over te dicht bij de zee vliegen

“Don’t fly too close to the sun,” is een gezegde dat ervoor moet waarschuwen niet teveel hooi op je vork te nemen. Werk je niet uit de naad. Op zoek naar een derde spreekwoord om het rijtje retorisch mooi af te ronden, kwam ik er vooral veel tegen over de geneugten van de harde arbeid. Even goed je handen uit je mouwen steken. Werken als een molenpaard. Aan de slag gaan. Er is werk aan de winkel. We willen onze schaapjes immers op het droge hebben.

Nou goed, vandaar ook dit stuk. We zijn niet goed in stilzitten. Lang stilzitten is voor je hoofd zoals een lange tijd in een steriele omgeving zijn is voor je immuunsysteem: slecht. Toch krijgen we aan alle kanten te horen dat we rust moeten nemen, moeten leren stilstaan, moeten bezinnen. Dit is een tegenreactie op de gierende drukte van de wereldeconomie, de vierentwintig-uurs cyclus van het nieuws en het leven in de ban van het internet en de sociale media, waarbij alles binnen bereik is en je daardoor toch écht geen excuus hebt om niet constant overal naar te reiken.

Binnen enkele dagen nadat we met z’n allen in quarantaine gingen, de hele wereldeconomie bij elkaar, stond mijn Instagram-feed vol met aanmaningen: grijp je kans! Gebruik de tijd die je nu vrij hebt om eindelijk dat ding te doen dat je altijd al wilde doen! Leer een taal, een vaardigheid, pak een nieuwe hobby op. Weet mijn Instagram-feed veel dat ik omkom in de hobby’s. Nog een dag later kwam er een tweede stapel aanmaningen bij, dwars door de eerste serie heen: voel je niet verplicht, je hoeft niet de nieuwste bestseller te schrijven, je mag moeite hebben met bezig blijven terwijl je eenzaam binnen zit. De Ikaros-mythe snijdt aan twee kanten.

Daidalos en zijn zoon* zaten gevangen op Kreta, onder de mythische koning Minos. Om te ontsnappen maakte de uitvinder twee paar vleugels. Hij plakte veren met bijenwas aan houten geraamtes, en waarschuwde zijn zoon niet te dicht bij de zon te vliegen; daar zou de was van smelten. Ook te dicht bij de zee vliegen was gevaarlijk; de veren zouden nat worden en te zwaar om mee te vliegen. Ikaros, de onbesuisde tiener, antwoordde “Uhu. Ja, pap. ‘Sgoed, pap.” (de overleveringen verschillen, maar deze voelt aannemelijk). Zo vlogen ze weg van Kreta, op weg naar de vrijheid. Ikaros genoot van het vliegen, de wind in zijn haren, grootser dan de zwaartekracht. Hij vloog op, hoger en hoger, tartte het lot—maar als we iets weten van de Griekse mythologie, is het dat het lot altijd harder terug kan tarten. “Ikaros? Ikaros? Ikaros?” Het was te laat. Op de zee dreven twee houten geraamtes en een kluwen witte veren. Daidalos vond zijn zoon uiteindelijk terug en begroef hem op een eiland dat sindsdien Ikaria heette. In de Ikarische zee. Goed, een nalatenschap heeft die knul allicht gekregen.

* Of Daedalus en Icarus; de Latijnse en Griekse spelling verwijzen naar dezelfde figuren.

Ikaros waande zich een god. Het zijn immers de goden en de vogels die de hemel doorklieven. Dat is de verlokking van het vliegen bij de zon: het voelt heerlijk—tot het niet meer heerlijk voelt. Tegen die tijd ben je al wanhopig de zee in gestort. Gelukkig zijn de overlevingskansen van een burn-out enorm gestegen sinds je op school je zwemdiploma A behaalt, maar toch, het kan een aardige peddel zijn om ergens een stukje land te vinden. En dat is eigenlijk het lastige aan een burn-out: je moet een tijdje stilzitten. Je kunt namelijk niet anders. Je bent ontvleugeld en gestrand. Maar dat stilzitten, daar zijn we nu net niet zo goed in.

‘Vliegen’ is namelijk een essentieel onderdeel van onze neurologische infrastructuur. Hoog vliegen voelt zo lekker, omdat je hersenen je constant belonen voor alles wat je voor elkaar krijgt. Elke keer dat je iets van je lijstje afvinkt, krijg je een goede scheut dopamine van jezelf. Het is het gevoel van geslaagd zijn, de rush van een succes, waardoor je je even een met de goden waant. Veel verslavingen werken via de dopamine-infrastructuur van je hersenen. Moderne gokmachines zijn uitgerust met een lerend algoritme waarmee wordt uitgezocht hoeveel beloning iemand moet krijgen om elke keer aan die hendel te blijven trekken, in de hoop dat er meer van dat lekkere stofje vrijkomt. Dat is wat je krijgt, en geen cent meer.

Waar zowel de moderne gokmachine als de workaholic uiteindelijk achter komt is hetzelfde: op een gegeven moment is het op. De gokker heeft geen geld meer om in te werpen. De workaholic heeft geen energie meer om te besteden. De bijenwas smelt en de hele constructie stort in. Daar lig je dan, tussen houten geraamtes en kluwens witte veren in de zee. Hoe is dat gebeurd?

Een ongezonde verhouding tot je dopamine-kick zorgt ervoor dat er meer energie uit gaat dan er binnenkomt. Je loopt langzaam leeg, en omdat je van dopamine-kick naar dopamine-kick springt, heb je het niet eens echt door. Dopamine is krachtig spul, dus je kunt er lang op teren. Tot je een keer een dosis misloopt, of tot je de ondergrens van je energie hebt bereikt. Dan stort het hele kaartenhuis in.

Toch is dopamine een integraal onderdeel van hoe we werken. Het zorgt ervoor dat we gemotiveerd zijn om dingen te doen, dingen voor elkaar te krijgen. Een tekort aan dopamine brengt net zo goed je welzijn in het gedrang. Ten eerste voelt het niet goed om geen beloning te ervaren. Ten tweede houdt het probleem zichzelf in stand. Als je gisteren niets gedaan hebt waar je je goed over voelt, heb je vandaag ook minder energie om ergens aan te beginnen. Zo leeg als je stiekem kunt zijn terwijl je van beloning naar beloning hopt, zo leeg voel je je acuut als de beloningen voor langere tijd uitblijven. Je kunt slapen tot je een ons weegt, maar je blijft moe. We zijn, zoals gezegd, niet goed in stilzitten. Op dit moment moeten we wel—meer dan normaal—en elke instelling die ook maar enigszins op mentaal welzijn is gericht zet zich schrap voor de golf aan hulpvragen die hierdoor binnen zullen komen. Dezelfde instellingen, inderdaad, die een maand geleden nog blogden over het belang van rust en ontspanning. Met goede reden.

Dat we niet weten hoe we stil moeten staan, betekent niet dat stilstaan geen waarde heeft. Je krijgt energie van succesvol dingen doen, dat is waar, maar voor de dopamine-kick maken we weinig onderscheid tussen junkfood en een gebalanceerde maaltijd met voldoende vezels, vitaminen en mineralen. Zomaar stil gaan staan legt je gehele interne economie van energie plat. De oplossing voor een junkfood-verslaving is niet stoppen met eten. Gericht, gezond, zinvol stilstaan gaat over het uitvinden of de voeding die je tot je neemt wel bevat wat je nodig hebt, of de dingen waar je energie in steekt je wel vervullen. Bezinnen gaat over communiceren met jezelf, met alle behoeftes die je hebt, met alle aspecten die je maken tot wie je bent. Het gaat over luisteren naar de stillere kanten van jezelf, de kanten die makkelijk overstemd worden door instant gratification en sneltoetsen naar de dopamine-kick.

Ik heb in het verleden met depressie gekampt. Op het moment dat je daar in zit is stilstaan een van de laatste dingen die je nodig hebt. Je doet bijna niet anders, op de minst productieve manier die je je maar kan bedenken. Ik ben daardoor als de dood voor te dicht bij de zee vliegen. De gedachte alleen al aan die natte veren geeft me de kriebels. Ik heb geprobeerd mijn depressie te overstemmen met hard werken en de constante jacht naar het goede gevoel van iets voor elkaar gekregen hebben. Uiteindelijk was dat niet vol te houden en stortte ik in. Ik weet dus ook dat ik moet oppassen met de zon van heel dichtbij zien, maar toch, die voelt lekker. Nog steeds. Om gehoor te geven aan mijn behoefte aan rust, maar ook te zorgen dat ik niet stilval en niet meer zomaar in beweging kom, ben ik manieren op gaan zoeken om gestructureerd bezinning te vinden.

Yoga is er een van. “You don’t use your body to get into the pose, you use the pose to get into your body.” Je lichaam slaat stilzwijgend van alles op. Stress, trauma, elke vorm van spanning. Je weet amper dat het er zit, tot je het los laat komen. Schouders die vroeger stijf en pijnlijk waren zijn nu beweeglijk en alleen gespannen als ik de hele dag achter een computer heb gezeten. Ik heb er leren luisteren naar mijn lichaam—nog niet geheel zonder oordelen, want ik lig potverdrie nog steeds niet helemaal in de split—maar via yoga heeft mijn lichaam een stem gekregen om me ervan te informeren als er iets niet helemaal in de haak zit.

Schrijven is het ontzettend overkoepelende werkwoord voor structuur nummer twee. Van een stuk als dit, tot verhalen, tot poëzie, tot je kunt het zo gek niet verzinnen of ik doe het met woorden. Wat erin zit, ben ik achter gekomen, moet eruit. Op zijn best ligt het anders stof te vangen, maar vaker gaat het liggen rotten en fermenteren en wordt het er echt niet mooier op. Zodra het in woorden op papier ligt, kan het ademen en leven en hopelijk—dat is de droom—gelezen worden, zodat het ook bij een ander kan ademen en leven.

Zo ben ik zowaar goed geworden in stilstaan. Goed genoeg om me het idee te geven dat ik het een ander misschien ook aan kan leren. Gelukkig ben ik daar ook voor opgeleid, dus dat komt mooi uit. Yoga kan ik je niet leren, al raad ik iedereen van harte aan een fysieke activiteit te vinden waarmee ze leren praten met zichzelf en hun eigen lichaam. Verwoorden is meer mijn vak. Woorden geven grip. Woorden nemen de paniek die aan alle kanten wordt geuit over het stilzitten en dansen over de pagina tot al dat stilzitten zo eng niet meer is.

Misschien vind je dit ook wel interessant...

12 min leestijd

Meer stress, veel lenen en sneller studeren

Stress een plotseling verschijnsel onder studenten? Nee. Dit artikel laat de verloop van regelingen zien die sinds 1986 werden ingevoerd. Zowel (oud-) politici, hoogleraren en