Begripshonger: hoe je jezelf vangt in woorden

Om te beginnen, een bekentenis van hypocrisie. Ik heb het zo’n beetje mijn levensmissie gemaakt mezelf door en door te kennen—ik ben immers de enige persoon in mijn leven waar ik onherroepelijk aan vast zit, dus dan kan ik maar beter weten in wiens gezelschap ik verkeer—maar niets maakt me zo wantrouwig als iemand die een pasklaar antwoord heeft op de vraag ‘Wat voor persoon ben jij?’ Dat heb ik zelf namelijk na een leven aan navelstaren absoluut niet. Goed, elke persoonlijkheidstest die ik vroeger heb gedaan leverde ‘introvert’ op, en dat zal je met deze introductie niet verbazen. Letterlijk: ‘naar binnen gekeerd’. Ik heb altijd heel zeker geweten dat ik erg introvert was, en iedereen in mijn omgeving zou het je zo beaamd hebben.

Mijn moeder vindt het altijd leuk om te vertellen dat ik als baby in de wieg eindeloos naar mijn handen kon liggen staren. Het zal een gek gezicht zijn geweest. Alsof ik werkelijk knetterhigh was. Nu wil het ook zo zijn dat een babybrein bestaat uit verbindingen tot in het oneindige, waar je later alleen van behoudt wat je ook daadwerkelijk gebruikt. Dat betekent dat baby’s waarschijnlijk dezelfde samensmelting van zintuigen ervaren als LSD opwekt. Wie weet wat ik daar voor visies lag te hebben.

Dit was blijkbaar de voorbode van een lange trend van mijn eigen vermaak zijn, gewoon door te observeren en in mijn hoofd te zitten. Een stille baby werd een stil kind werd een stille tiener. Op een gegeven moment was het niet vermakelijk meer. Waar ik als kind heel blij was om steeds dezelfde Thea Beckmann-boeken van historische fictie te lezen over stoere jongedames die losbraken uit het juk van wat de wereld van ze verwachtte, had ik ondertussen blijkbaar mijn eigen set verwachtingen gecreëerd om van los te willen breken. Wat Thea’s jongedames op mij voorhadden, echter, was dat het ook mijn eigen verwachtingen waren waar ik mee te kampen had. Misschien zouden geïnternaliseerde oordelen en worstelingen met zelfbeeld ook wat heftige thema’s zijn geweest voor kinderboeken. Afijn.

Tegen de tijd dat ik aan psychologie begon—om mensen te bestuderen zoals ik vroeger de karakters in mijn boeken had bestudeerd—had ik jaren aan introspectief gezever opgepot, en het begon er steeds meer uit te sijpelen. Als ik dan na colleges met mijn intellectuele gedoe aan kwam zetten, vroegen vrienden me of filosofie niet de meer geschikte studie voor mij zou zijn. Het ergerde me dat ze het idee leken te hebben dat kritisch denken alleen voor filosofen weg is gelegd, maar wat me eigenlijk vooral dwars zat was een soort onbestemde en onbenoemde honger naar contact en begrip. Maar dat snapte ik niet van mezelf. Ik was immers introvert.

Over persoonlijkheidstesten en introversie kun je het eigenlijk niet hebben zonder de MBTI (Myers-Briggs Type Indicator) te noemen. De laatste keer dat ik die in heb gevuld, kwam daar opeens een ‘E’ uit zetten in plaats van de gebruikelijke ‘I’. Het was voor een sollicitatie op een functie als trainer, dus ik had de test ingevuld met die rol in gedachten. Bleek ik opeens extravert te zijn. Een milde identiteitscrisis is niet ideaal voor tijdens een sollicitatiegesprek, dus de baan heb ik niet gekregen. Was ik dan niet mezelf, als trainer? Was ik me anders voor aan het doen dan ik eigenlijk was?

Ik kan me niet herinneren welke lettertjes ik uit de andere categorieën heb gekregen, eerlijk gezegd omdat ik daar vaak niet het betekenisvolle verschil tussen kon ontdekken. Ik kan je van ‘denken of voelen’ in ieder geval vertellen dat ik allebei heel veel doe. Er zijn wel meer tekortkomingen aan de MBTI, maar voor nu is het punt dat me dwarszit dat je zo rigide in één van beide categorieën in wordt gedeeld. Je krijgt wel een percentuele score (bijvoorbeeld 53% introvert, 47% extravert), maar dan word je ingedeeld als ‘I’ alsof je meer gemeen zou hebben met een 86/14 introvert dan een 47/53 extravert.

Op deze manier aparte categorieën definiëren werkt goed als je twee pieken in je ruwe data ziet, in een zogeheten bimodale verdeling. Bijvoorbeeld, we maken in het Nederlands, net als vele andere Europese talen, een onderscheid tussen een ‘r’ en een ‘l’. Er zit altijd variatie in hoe je deze klanken precies produceert, maar dat deert niet, want je gooit het gewoon in één van beide categorieën en je kan weer verder met je leven. Als je er een grafiekje van zou maken, zou dat er zo uit zien.

Fluent forever bimodale verdeling
Afbeelding van: Fluent Forever: Supplemental companion to the audiobook,
Gabriel Wyner, 2017

In het Japans, echter, maken ze dit onderscheid niet en produceren ze in plaats daarvan een klank die net tussen een ‘r’ en een ‘l’ in ligt. Een r rolt in je mond, een l maak je met je tong tegen het harde stukje verhemelte vlak voor je voortanden. De Japanse ‘r’ rolt als een r op de plek waar je een l maakt, en klinkt dus een beetje als allebei. Voor ons levert dat weinig problemen op als we proberen een ‘biru’ te bestellen en het niet lukt om op die vreemde plek in je mond je tong te rollen. Er is immers geen ‘bilu’ om het mee te verwarren. Voor een Japanner is het andersom een stuk lastiger. Alles wat klinkt als een ‘r’ of een ‘l’ komt bij hen op één stapel terecht. Een beetje zoals in het volgende grafiekje.

Fluent forever unimodale verdeling
Afbeelding van: Fluent Forever: Supplemental companion to the audiobook,
Gabriel Wyner, 2017

Voor een Japanner die Nederlands probeert te leren—wat vast in grote getale gebeurt—is het dus een kwestie van uitgebreide oefening om hun brein zo te trainen dat ze onderscheid kunnen maken tussen ‘rat’ en ‘lat’. Voor een Nederlander die Japans probeert te leren is het obstakel vooral om niet te klinken als een weinig verfijnde buitenlander die hun ‘r’ te grof laat rollen. Voor beide talen is het zo dat de categorieën die ze gebruiken netjes aansluiten op de realiteit van wat ze nodig hebben. Dat is waar het bij ‘introvert versus extravert’ misgaat. Bij twijfel kun je ervan uitgaan dat menselijke eigenschappen (unimodaal) normaal verdeeld zijn. Intelligentie, lengte, aandachtspanne, het volgt allemaal min of meer de belcurve van een normaalverdeling. Bij introversie en extraversie proberen we echter een onderscheid te maken alsof we twee pieken in de data zien. In werkelijkheid zijn de meeste mensen ambivert.

We zeggen dat introverten behoefte hebben aan rust en op zichzelf zijn om te kunnen ontspannen, terwijl extraverten juist opladen van sociale interactie en mensen om zich heen. De werkelijkheid is dat de meeste mensen behoefte hebben aan allebei. Iedereen heeft behoefte aan een individuele identiteit, en aan een groepsidentiteit. Dit staat eigenlijk fundamenteel met elkaar in conflict, maar het vormt allebei onderdeel van wie we zijn. De behoefte aan autonomie is fundamenteel menselijk, maar die aan verbondenheid ook.

Hebben de termen ‘introvert’ en ‘extravert’ dan afgedaan? Een vriend van me vond van wel. Dat het eigenlijk niet bestaat, een introvert of een extravert. Hij zal zich in dezelfde interne worsteling hebben bevonden als ik, waarbij het vroegere label niet meer lekker paste, alsof het was gekrompen in de was, maar zijn conclusie was het hele ding dan maar in de prullenbak te gooien. Mijns inziens is het nog best een mooi stofje en moeten we er gewoon iets anders van maken. Gelukkig ben ik ook best handig met een naaimachine.

Er is genoeg onderzoek waaruit blijkt dat introversie/extraversie een betekenisvolle dimensie van menselijke persoonlijkheid beschrijft die gebruikt kan worden om psychologisch en subjectief welzijn te voorspellen. De ‘Big Five’ of ‘HEXACO’ persoonlijkheidstesten die hier worden onderzocht zijn gebaseerd op een lexicale methode, wat betekent dat de makers een woordenboek hebben gepakt, alle woorden zijn gaan verzamelen die karaktertrekken omschrijven, en dat net zo lang terug zijn gaan brengen tot ze vijf of, en later toch zes dimensies overhielden. De achterliggende gedachte is dat fenomenen die relevant zijn aan onze ervaring in ons taalgebruik terug te vinden zijn.

Met andere woorden, we gebruiken ‘introversie’ en ‘extraversie’ omdat we het verschil ervaren. Mijn argument hier is dat we dit verschil niet alleen ervaren tussen verschillende mensen, maar ook binnen onszelf. Ambivert betekent immers niet dat je geen duidelijke voorkeur hebt voor meer dan wel minder sociaal contact, maar dat je beide kanten op kan gaan. ‘Ambi’ verwijst naar een tweeledigheid.

Dat is het probleem dat ik ervaarde; ‘introvert’ voelde niet als een slecht passend korset omdat ik geen behoefte had aan rust om me heen—ik kan nog steeds flink overprikkeld raken van een rumoerige groep en dan zijn er maar weinig mensen die ik nog om me heen verdraag—maar omdat ik had geleerd dat het betekende dat ik niet ook mensen om me heen kon verlangen. Het maakte dat ik niet snapte waarom ik zo kon genieten van een feestje, en dat als ik in een dip zat, ik dat op probeerde te lossen door nog meer tijd alleen op te zoeken. Wat was bedoeld als een middel tot zelfbegrip, werd een wapen tot zelfontkenning.

Zonder woorden, labels, categorieën, hebben we niets om grip te krijgen op de overweldigende hoeveelheid ruwe data die we elke dag binnenkrijgen, onze eigen interne prikkels meegerekend. Taal is een belangrijk onderdeel van emotieregulatie, en kinderen die moeite hebben met het aanleren van (emotie)woorden, hebben meer moeite met zich op constructieve manieren uiten. Zonder categorieën voor ‘r’ en ‘l’ zouden we een klankenbrij ervaren in plaats van een betekenisvol verschil. Deze categorieën zijn in feite allemaal versimpelingen van de ruwe data, maar met als doel de data werkbaar te maken.

We hebben woorden als ‘introvert’ en ‘extravert’ nodig om chocola te maken van bepaalde ervaringen die in ons opkomen. Deze woorden schieten alleen tekort als het ervoor zorgt dat een andere ervaring onbenoemd blijft. Die onbenoemde ervaring leeft dan als een soort stille honger in je voort, op zoek naar een begrip waarmee het begrepen kan worden. Er is een reden dat ik altijd in het hokje van introvert ben geplaatst, en dat is dat ik me comfortabeler voel met een beetje onderprikkeling dan met overprikkeling—ik heb het gevoel dat ik daar meer controle over heb. Enige waarheid zit er dus nog steeds in, en ik ben niet bereid het woord weg te gooien alsof het me niet heel lang goed gediend heeft. De conclusie is meer woorden toe te voegen om de theorie beter op de data aan te laten sluiten. Er leeft in mij een introvert en een extravert, en naar beiden heb ik leren luisteren. Beiden heb ik tot me leren spreken, door ze daar de woorden voor aan te bieden. Gretig aten ze die begrippen op.

Auteur: Beatrijs Bovens, Schrijver

Misschien vind je dit ook wel interessant...

12 min leestijd

Meer stress, veel lenen en sneller studeren

Stress een plotseling verschijnsel onder studenten? Nee. Dit artikel laat de verloop van regelingen zien die sinds 1986 werden ingevoerd. Zowel (oud-) politici, hoogleraren en